Het stadsbestuur van Kampen

Het was een koude winterdag. De leden van het stadsbestuur van Kampen zaten rond de haard bijeen op het stadhuis. Ze zaten nog even gezellig na te praten na een lange dag van beraadslagingen over nieuwe wetgeving. Het was tijd om naar huis te gaan, maar door de gure Oostenwind had niemand zin om naar buiten te gaan. Men besloot nog maar even door te vergaderen.

‘Wat een storm!’ rilde een van de wethouders. ‘Het heeft vannacht harder gevroren dan ik me kan herinneren; de tante van mijn vrouw zei, dat het de strengste winter is, die ze ooit heeft meegemaakt. En dat wil wat zeggen; ze wordt dit voorjaar zevenennegentig jaar.’ ‘Hu….’, riep de burgemeester z’n schouders rollend. ‘Laten we de bode roepen om nog wat houtblokken in de haard te gooien.’

De bode werd geroepen. Hij kwam direct en groette beleefd de verzamelde heren, maar hij kreeg geen respons. Het enige wat de burgemeester riep met een stem van een sergeantmajoor die zijn soldaten het bevel gaf ten aanval te trekken: ’Wij hebben het koud. Gooi nog een paar blokken in de vuur.’ Toen de blokken gebracht waren, in het vuur gedeponeerd waren, het vuur was opgeschud en knapperend oplaaide, schoven de gemeentebestuurders nog dichter naar het vuur toe en strekten de armen in de handen wrijvend naar het vuur toe. De behagelijke warmte deed het kippenvel op hun armen verdwijnen, en langzaam namen hun handen, die wit van de kou waren geworden , een roze kleur aan.

‘ ’t is hier een stuk lekkerder dan buiten’, zei de burgemeester, en hij schoof nog wat dichter naar het vuur toe gevolgd door zijn wethouders. ‘ Dat is zeker’ , antwoordde de oudste wethouder. ‘Niets is minder waar’, voegde de jongste er aan toe. De burgemeester dacht een ogenblik na. Toen zei hij: ‘Buiten gaat de wind je door merg en been.’ De oudste wethouder zuchtte diep. ‘Ik wou dat het weer eens voorjaar werd.’ Zijn buurman dacht hardop: ‘Hier zitten we gelukkig goed.’

De burgemeester zette zijn stoel nog wat dichter bij het vuur, weer volgden de andere bestuurders zijn voorbeeld. De burgemeester merkte op: ‘over een bevroren rivier kunnen de schepen niet varen.’ De oudste wethouder was het met hem eens. “Sinds de rivier dicht is, komen er geen schepen meer binnen.’ De jongste, die de optimist van het gezelschap was, sprak troostend: ’ gelukkig is van de zomer de rivier weer bevaarbaar.’

Plotseling hielden allen hun mond, en keken elkaar verschrikt aan. Het rook naar brand. Ze riepen onmiddellijk de bode; de burgemeester vroeg: ‘Is er brand in de buurt?’ ‘Nee’, zei de bode, ‘maar met uw goedvinden; de broek van de burgemeester is aan ’t schroeien.’

‘Bedankt, we zullen er over beraadslagen.’ Lange tijd dacht men hierover na. Het was toch ondenkbaar dat de broek van de magistraat van Kampen door het vuur werd beschadigd. Maar wat kon men hier tegen doen? Niemand durfde iets te zeggen, totdat de burgemeester zich hierover had uitgesproken. ‘Edele heren van het stadsbestuur’, sprak hij eindelijk, ‘ we zullen snel en krachtig op deze kwalijke zaak moeten reageren. Ik zie maar één doelmatige oplossing.’ Gespannen wachtte men af. ‘Edele heren van het stadsbestuur…..We zullen de schoorsteen naar achteren laten verplaatsen. Dan zullen wij geen last meer hebben van de vlammen.’

Iedereen was het hier mee eens, en aldus werd besloten. De vergadering werd gesloten en het stadsbestuur toog rillerig maar tevreden huiswaarts.